Spreektekst Voorstel voor een Gedragscode ongewenste omgangsvormen 21-04-2026
Spreektekst Voorstel voor een Gedragscode ongewenste omgangsvormen 21-04-2026
Voorzitter. Zoals al uitgebreid in de schriftelijke rondes is gewisseld, heeft de PVV-fractie moeite met de invulling van de voorliggende Gedragscode ongewenste omgangsvormen. Ik zal niet alle grieven herhalen die we in deze schriftelijke rondes al uitgebreid gewisseld hebben. In deze vorm is het veel te onbepaald wat "ongewenst" is, wat kan leiden tot willekeur, vage aanklachten en een soort proces omdat iemand zich al snel gekwetst kan voelen. Denk aan wokeklagers die zelfs met politieke motieven klachten kunnen indienen en ga zo maar door. Het is veel te breed. Een onschuldig bedoeld grapje of een verkeerd geïnterpreteerde opmerking kan zomaar tot een hele klachtenprocedure leiden.
Laat één ding duidelijk zijn: de PVV-fractie vindt dat daadwerkelijk ontoelaatbare gedragingen gemeld en aangepakt moeten worden, maar dan moet er wel sprake zijn van gedragingen die wettelijk niet zijn toegelaten en die dus ook strafbaar zijn gesteld. Er moet duidelijk sprake zijn van een geschonden rechtsnorm. Dat is ook de basis van ons recht: het moet kenbaar zijn dat een gedraging ontoelaatbaar is. Het lastige is dat in de definitie die in deze gedragscode voor ongewenste omgangsvormen wordt gehanteerd, juist heel veel begrippen worden meegenomen die op zichzelf ook al strafbaar zijn gesteld. Het is dus heel moeilijk om de grens te trekken tussen wat nu eigenlijk juridisch strafbaar en wat ongewenst is. Het is een heel hellend vlak. Daar probeer ik in dit debat toch iets meer duidelijkheid in te krijgen.
Wat betreft alle andere ongewenste gedragingen die als ongemakkelijk, onfatsoenlijk of onprettig kunnen worden beschouwd, kan met een melding en een goed gesprek met de vertrouwenspersoon worden volstaan. Daar is geen uitgebreide procedure met een adviescommissie en een college dat besluiten neemt voor nodig. Daarbij willen we voorkomen dat het College van Voorzitter en Ondervoorzitters een soort tribunaalfunctie voor andere Kamerleden krijgt. Het CVO is immers geen rechtbank.
Voorzitter. Ik citeer uit de nota naar aanleiding van het derde verslag. "De leden van de PVV-fractie maken terecht onderscheid tussen strafbare gedragingen en ongewenste gedragingen die niet strafbaar zijn in de zin van de wet. De laatste categorie ongewenste gedragingen is ruimer dan die van de strafbare gedragingen en de voorgestelde gedragscode heeft betrekking op deze ruimere categorie (zie definitiebepalingen in artikel 1). De conclusie van deze leden dat om die reden strafrecht geen ultimum remedium is, doet evenwel geen recht aan de betekenis van dit adagium." Nou komt het. "De ultimum-remediumgedachte houdt onder andere in dat het strafrecht niet het eerstaangewezen instrument kan en mag zijn bij het oplossen van maatschappelijke problemen, in dit geval ongewenste gedragingen. Pas als is gebleken dat andere instrumenten tekortschieten, dient de inzet van het strafrecht te worden overwogen. Dit is precies wat met de voorgestelde gedragscode en het flankerend beleid (genoemd in artikel 2) wordt beoogd: voorkomen dat ongewenste gedragingen plaatsvinden en kunnen escaleren naar strafbare gedragingen, waarbij vervolgens alleen nog het strafrecht rest als ultimum remedium." Einde citaat.
Het gaat hier niet om de inzet van het strafrecht als maatregel, maar om de strafbaarheid van gedragingen. Een niet-strafbare gedraging moet dan ook niet onderworpen worden aan maatregelen of consequenties die een bestraffend karakter hebben. Een ongewenste niet-strafbare gedraging hoort dus niet gesanctioneerd te worden, daar de strafbaarheid ontbreekt en er daarmee dus ook geen rechtsnorm geschonden is. Ook voor een ultimum-remediumgedachte dient er sprake te zijn van strafbaarheid door een geschonden rechtsnorm. Graag een reactie hierop.
Wat het voorkomen van het escaleren naar strafbare gedragingen betreft: zolang het niet escaleert naar een strafbare gedraging, is er ook geen rechtsnorm geschonden en zijn formele maatregelen dus ook niet passend. Het is op die manier ook zeer speculatief. In zulke gevallen kan van aanspreken sprake zijn, maar verdere stappen zijn heel voorbarig. Men weet immers niet of het gaat escaleren. Ook op dit punt graag een reactie.
Verder stelt het college dat bij de gedragscode voor de definitie van ongewenste omgangsvormen zo veel mogelijk is aangesloten bij de wettelijke definities. Dat is echter geen antwoord op de schriftelijk gestelde vraag of het niet onrechtsstatelijk is om de gedragscode verstrekkender toe te passen dan de door de wetgever strafbaar geachte rechtsnormen. Dat gaat verder dan alleen een uitleg van rechtszekerheid. Graag alsnog een uitgebreide reactie.
Dan over het gebruik van het woord "schuldig". Het college stelt dat het niet verwees naar het strafrechtelijk begrip, maar het woord wordt hier wel in een sanctionerende gedragscode gebruikt, met een formele toepassing. Zou het niet beter zijn hiervoor een andere term te gebruiken, die niet deze specifiek strafrechtelijke associatie kent, als deze niet als zodanig bedoeld is? Ik hoor het graag.
Hoe zit het met klachten over gedragingen waar sprake is van nalaten? Bijvoorbeeld: een Kamerlid wordt beticht omdat hij kennis had van een door een ander Kamerlid begane ongewenste misstand, maar daar niet actief op heeft ingegrepen. Dat kan bijvoorbeeld als er iets binnen een fractie ter kennis is gekomen van de fractievoorzitter. Ik noem ook het voorbeeld dat er in gezelschap een ongewenste opmerking wordt gemaakt en daar door de anderen niet op gereageerd wordt door een ander aan te spreken. Kan het college uitsluiten dat zulke indirecte gevallen binnen de strekking van deze gedragscode vallen?
Voorts stelt het college, en ik citeer: "Het ligt in de rede dat deze procedure een weloverwogen en gefundeerd advies oplevert. Temeer daar artikel 9, derde lid bepaalt dat de leden van de commissie deskundig en ervaren zijn op het gebied van onafhankelijke, onpartijdige en zorgvuldige afhandeling van klachtprocedures met betrekking tot ongewenste omgangsvormen. Beide elementen — onafhankelijkheid én deskundigheid — moeten de commissie in staat stellen de door deze leden genoemde beoordelingen van 'de kwetsbaarheid van de klager', 'de impact op de organisatie' of van 'het zelfinzicht bij de beklaagde' te maken." Einde citaat. Wordt dan ook specifieke psychologische of bedrijfspsychologische kennis binnen de adviescommissie vereist om kwetsbaarheid en zelfinzicht met gezag te kunnen beoordelen? Graag een reactie.
Over de criteria daarbij zegt het college slechts dat deze zullen worden gebaseerd op "de feiten en omstandigheden van het geval en de zienswijze daarop van klager en beklaagde". Dat is wel erg algemeen en nogal ad hoc gesteld. Kan het college dit preciezer duiden?
Verder heeft het college het over "machtsverschillen en afhankelijkheden tussen beklaagde en klager". Kan het college nader duiden hoe deze machtsverschillen en afhankelijkheden concreet worden bepaald?
Dan heb ik een ander punt. Kan het college aangeven welke bewijscriteria bij een klacht concreet zullen worden toegepast?
Over de apparatuur die door de Eerste Kamerorganisatie is verstrekt, zegt het college dat het benutten van deze apparatuur voor ongewenste gedragingen in strijd zal zijn met de gebruiksvoorwaarden. Kan het college aangeven hoe dit kan worden bepaald, door wie en binnen welke kaders en voorwaarden? Wat betreft het bewijs in de vorm van berichten en andere digitale zaken die worden gewisseld, heb ik de volgende vraag. Hoe gaat het college om met het risico van manipulatie, bijvoorbeeld middels AI?
Tot slot. De PVV-fractie is geen voorstander van deze gedragscode. Artikel 131 van het Reglement van Orde schrijft echter zo'n gedragscode voor. Daarom wil onze fractie de gehele gedragscode beperkt houden tot vormen van overleg en nadere afwegingen met de vertrouwenspersoon. We overwegen hiertoe amendementen in te dienen in de tweede termijn.