Logo PVV Eerste Kamer

groepsfoto

groepsfoto

Machiel de Graaf en Geert Wilders in gesprek

Machiel de Graaf en Geert Wilders in gesprek

Frontpage Slideshow | Copyright © 2006-2013 JoomlaWorks Ltd.
dinsdag, 13 december 2016 15:20

Belastingplan 2017

Bijdrage van Gom van Strien

Voorzitter,

Voorzitter, we praten vandaag over het laatste Belastingplan van het kabinet-Rutte II. Tijd dus om evenals bij de Algemene financiële beschouwingen, behalve naar het jaar 2017, ook terug te kijken op de afgelopen 4 jaar. We kijken dan op een periode van forse lastenverzwaringen en groeiende complexheid van het stelsel.

Wat de betreft de lastenverzwaringen is het mij opgevallen dat noch in de Tweede Kamer noch hier, door andere partijen gesproken is over dat deel van Nederland dat in de afgelopen jaren het hardst getroffen is door de belastingmaatregelen van dit kabinet. Voorzitter, de PVV blijft dat probleem, evenals andere ernstige problemen, benoemen!

De accijns- en BTW verhogingen in deze kabinetsperiode hebben in de gehele grensstreek geleid tot sluiting van tal van benzinepompen. Het verschil in prijs voor autobrandstoffen tussen Nederland enerzijds en Duitsland en België anderzijds was aan het begin van deze periode vrijwel nul en bedraagt nu aan het eind van Rutte II voor gewone benzine ca. 30 cent per liter. Niet alleen die benzinepompen maar ook de middenstand die zich in de nabijheid van deze benzinepompen bevindt leidt een zieltogend bestaan. Met dank aan dit kabinet. Voorzitter, dit kabinet trekt per 1 januari een extra van de bubbeltax ontdane fles champagne open. Maar in de grensregio hebben ze nog niets te vieren. Daar moeten ze echt nog even wachten tot de verkiezingen in maart voordat ze aan de champagne kunnen.

Voorzitter, wat betreft de toegenomen complexiteit van het belastingstelsel kunnen we stellen dat het er nog maar aan ontbroken heeft dat er een toeslag is ingevoerd om te faciliteren dat je een deskundige kunt inhuren om je wegwijs te maken in het toeslagenwoud. Want ondanks de automatisering en de vóóringevulde vragenlijst van de belastingdienst blijft het maar voor een veel te kleine categorie belastingbetalers weggelegd om zelf hun belastingaangifte te doen. Mijn vraag  aan de Staatssecretaris in dit verband is dan ook: Vindt hij niet dat je als criterium voor vereenvoudiging zou moeten stellen dat bijvoorbeeld 95 % (of een dergelijk percentage) van de belastingbetalers zelf zijn aangifte zou moeten kunnen doen? Ik heb het dan zowel over particulieren als kleine zelfstandigen.
Voorzitter, bij het stellen van deze vraag hoor ik de staatssecretaris al antwoorden dat wij dit jaar een Fiscale vereenvoudigingswet 2017 (34554) hebben. Maar dan moet ik u eerlijk zeggen dat die wet voor mij klinkt als een roker die om van zijn verslaving af te komen een extra pakje sigaretten gaat kopen, dat helemaal leeg rookt en dan zegt dat er nu tenminste minder sigaretten op de wereld zijn.

Dat we in box 1 verschillende schijven met bijbehorende tarieven hebben, zodat hogere inkomens meer belasting betalen dan lage wordt over het algemeen als redelijk ervaren. Dat je, omdat de tarieven eigenlijk te hoog zijn, dan weer allerlei aftrekposten en maar liefst zeven verschillende heffingskortingen introduceert is al een brevet van onvermogen. Maar dat je vervolgens ook de heffingskortingen weer inkomensafhankelijk maakt zoals dit kabinet gedaan heeft, is werkelijk te bizar voor woorden. Het zijn voortdurend correcties op correcties op correcties in een poging te verhullen dat je te veel belasting heft.

Voorzitter de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft op 25 november een Terugblik inkomensbeleid en koopkracht 2012-2017 aan de Tweede Kamer gestuurd. Een fraai overzicht maar enkele kanttekeningen lijken me op zijn plaats. Te beginnen bij de titel, die overigens wel de inhoud dekt: 2016 is nog niet afgelopen en volgens mij moet 2017 nog beginnen. Vergenoegd terugblikken op jaren die nog vóór ons liggen zal wel een socialistisch kunstje zijn, want nuchtere mensen weten in ieder geval niet hoe dat moet. Het is duidelijk, de minister heeft zijn eigen juichverhalen over 2017 nodig om de kabinetsperiode waar we werkelijk op terug kunnen kijken en die er allesbehalve fraai uitzien, te compenseren. En dan is er ook nog  een belangrijk aspect dat ontbreekt. De vergelijking met de ons omringende landen.

De samenvatting van deze notitie stelt vergenoegd vast, dat bijna 80% van de huishoudens er op vooruit is gegaan, terwijl bij aanvang van het kabinet de verwachting was dat 46% van de huishoudens erop vooruit zou gaan over de kabinetsperiode. Ik weet niet wie die 46 % verwachtte, ik vind dat helemaal een bizar percentage, maar dat terzijde. Voorts worden er prachtige statistieken vertoond over de periode 2012 tot en met 2017.

Voorzitter, ik heb in de Algemene Financiële Beschouwingen al aangegeven dat vanaf het uitbreken van de kredietcrisis in 2008, tot en met 2012 de consumptie door huishoudens in ons land met 4,4 procent is gekrompen. In dezelfde periode groeide de consumptie in België met 3,2 procent en in Duitsland met 4,3 procent.
Kijken we naar de daarop volgende gehele periode 2012 tot en met 2015. En nu moet ik even een kanttekening maken. De statistieken van OESO en Eurostat zijn niet zo briljant dat ze gaan over periodes die nog niet afgelopen zijn, laat staan dat ze statistieken hebben over periodes die nog moeten komen. In die periode dus van 2012 tot en met 2015 zagen de Nederlandse huishoudens hun reëel beschikbaar inkomen met 2,6% dat is 0.6 % per jaar toenemen, dat is 6 pro mille per jaar. Dit terwijl de Belgische en Duitse inkomens er in dezelfde periode met respectievelijk 5,4 procent en 7,8 procent op vooruitgingen. Ook in absolute zin blijven we steeds verder achter bij onze buren. En dan praat ik nog niet over niet-EU lid Noorwegen waar in die periode het reëel beschikbaar inkomen van huishoudens met maar liefst 12,6% steeg.

Als we naar de ouderen kijken dan zegt de samenvatting, ik citeer: “Voor gepensioneerden is het koopkrachtbeeld divers.” Dat is ambtelijke taal voor: Voor gepensioneerden zag het er ronduit beroerd uit”. In doorsnee is de koopkracht van gepensioneerden gedaald.
Dit is overigens niet alleen door fiscale maatregelen. Het was een combinatie van fiscale en overige maatregelen. Ik denk daarbij aan de afbraak van het pensioenstelsel, de verdere verhoging van de AOW leeftijd, het rücksichtsloos afschaffen van de pré pensioenregelingen, zodat talloze oud militairen, oud politieagenten en oud brandweerlieden, die eerder al of niet gedwongen met prepensioen gingen, thans over de armoedegrens worden geduwd.
Een van de belangrijkste niet-fiscale trucs is tenslotte de bedachte constructie om pensioenfondsen onder water te zetten, teneinde pensioenen te kunnen korten. Dat terwijl vanaf 2008 het vermogen van pensioenfondsen en verzekeraars met ruim 615 miljard euro aangroeide tot 1.700 miljard euro.

Voorzitter ook vorig jaar heeft de PVV maar ook diverse andere partijen aangegeven dat het draagkrachtbeginsel in de inkomstenbelasting zo langzamerhand ver te zoeken is.
Het zijn vooral de middeninkomens die de dupe zijn. Algemeen kun je stellen dat het verschil tussen modaal en minimumloon, bruto ruim 36.000 respectievelijk 20.000 euro onder de streep vrijwel nihil is door de nivelleringsdrang van dit kabinet.
Er zijn veel voorbeelden te noemen van bizarre verhoudingen. Bijvoorbeeld ook voor kostwinnersgezinnen is de belastingdruk inderdaad veel hoger is dan voor andere gezinnen. Dit wordt uitsluitend veroorzaakt door de enorme progressie in de inkomstenbelasting, waarvan het dolgedraaide toeslagensysteem deel uit maakt, ofwel het nivelleringsfeestje van de Partij van de Arbeid. Voorzitter, dit punt is zoals ik al zei, vorig jaar uitgebreid aan de orde geweest. Er is niets mee gebeurd. Ook dit belastingplan heeft niet het begin van een oplossing voor deze problemen aangedragen.

Ik kom bij Box 3.
Voorzitter in 1892 werd voor het eerst belasting geheven op het vermogen. Deze werd in 1914 weer afgeschaft omdat men die onredelijk vond. Vijftig jaar later, in 1964 werd de Wet op de Vermogensbelasting aangenomen. Er werd nu een belasting geheven van 0,7% van het vermogen op de 1e dag van het nieuwe jaar, na aftrek van schulden en van het vrijgestelde deel. De Vermogensbelasting werd in 2001 afgeschaft en vervangen door de Vermogensrendementsheffing. Deze vermogensrendementsheffing lijkt verdacht veel op de belasting die in 1914 wegens zijn onredelijke karakter werd afgeschaft.
Het tarief bedraagt 30% en gaat uit van een fictief rendement van 4%. Over dat fictieve rendement zij destijds VVD minister Zalm, ik citeer: “Elke sukkel haalt meer dan 4% rendement. Wie dat niet lukt kan bij mij staatsobligaties krijgen, met een procent of 6 rendement.”
Welnu inmiddels zijn wij allemaal, vrijwel alle Nederlanders, door dit kabinet, geholpen door meneer Draghi, van de Europese Centrale Bank, kennelijk tot sukkels gemaakt, want er is behalve de pensioenfondsen, niemand die dat rendement nog haalt.
Mede hierdoor is een soort consensus ontstaan dat er geheven zou moeten worden naar werkelijk rendement. De staatssecretaris zegt dat ook te willen, maar denkt kennelijk iets anders. Hij ziet namelijk zijn ca. 4 miljard vaste inkomsten uit box 3 in gevaar komen. Want heffen naar werkelijk rendement betekent dat die belastinginkomsten uit box 3 gaan variëren met de stand van de economie. Dat is kennelijk een schrikbeeld voor het kabinet, vanwege de gevolgen voor het EMU saldo en dus de angst voor Brussel. Mijn vraag aan de staatssecretaris is of hij dit kan bevestigen of ontkennen.

Als hij dat ontkent zou ik van de staatssecretaris willen weten hoe ik dan de discussie uit de Voortgangsrapportage Heffing box 3 op basis van werkelijk rendement op bladzijde 11 en 12 moet interpreteren. Daar wordt namelijk duidelijk dat het verschil tussen het forfaitair rendement dat wordt gehanteerd in Box 3 in het systeem dat vanaf 2017 geldt enerzijds, en het invoeren van een heffing op basis van het werkelijk rendement anderzijds de staat tussen 2017 tot 2019 enkele miljarden oplevert.
Met andere woorden spaarders worden voor een paar miljard meer uitgeperst dan men met de mond belijdt voor redelijk te houden. Het gaat dan, voor de goede orde, over bijvoorbeeld kleinere ondernemers die veelal geen pensioen hebben opgebouwd, maar moeten leven van de opbrengst van de verkoop van hun bedrijf en die om die reden hun geld met zo min mogelijk risico willen vastzetten.

Ik zei het al bij de Algemene financiële beschouwingen dat sommige mensen dat gewoon staatsdiefstal noemen. Iets belasten dat er al jaren niet meer is. Met dank aan de VVD staatssecretaris van belastingen, die maar al te graag, zelfs ongevraagd, bereid is PvdA beleid te bedenken en uit te voeren.

Voorzitter in de tweede Kamer zei de staatssecretaris bij de behandeling van het Belastingplan (ik citeer):
“Belasting betalen vindt niemand echt leuk. Voor elke euro heb je hard gewerkt en van je inkomen wil je graag zo veel mogelijk overhouden. Je weet immers zelf het beste waar je je geld aan wilt uitgeven. Tegelijkertijd zijn die belastingen wel nodig, zodat de overheid kan investeren in bijvoorbeeld veiligheid, wegen, onderwijs en zorg.” Einde citaat.
Tot zover snapt de burger dat inderdaad. Waar hij het niet meer snapt – en die dingen noemt de staatssecretaris juist niet - is waar dit kabinet enerzijds op fiscaal gebied de duimschroeven overal aandraait en onbegrijpelijk ingewikkelde heffingssystemen creëert en aan de andere kant diezelfde miljarden verkwist aan Brussel, aan ontwikkelingshulp, aan de asiel-tsunami, aan de publieke omroep, aan subsidies voor kunstenmakers, aan windmolens en aan innovatiesubsidies. Het is deze onbalans waardoor dit kabinet zijn draagvlak verloren heeft.
Concluderend voorzitter: Tijd voor een kabinet dat wel over het draagvlak beschikt om belastingen te hervormen en te verlichten. Nederland snakt ernaar.

 

75 keer gelezen